De kern van het christelijk geloof ligt in het geloof zelf. Zoals de apostel Petrus schrijft in 1 Petrus 2:7: "U dan, die gelooft, is Hij dierbaar". Dit geloof wordt gespiegeld in het leven van gelovigen zoals David, "de man naar Gods hart". Het is cruciaal om te beseffen dat het paard niet voor de wagen gespannen mag worden. Alles wat zonder geloof geschiedt, kan God niet behagen.
De apostel Paulus benadrukt dit in 1 Tessalonicenzen 2:13: "Daarom danken ook wij God zonder ophouden dat u, toen u van ons het gepredikte Woord van God hebt ontvangen, het ook aangenomen hebt, niet als een mensenwoord, maar (zoals het werkelijk is) als Gods Woord, dat ook werkzaam is in u die gelooft." Dit illustreert dat de aanname van het Woord, niet als een menselijke boodschap maar als Gods boodschap, essentieel is voor geloofswerking.
Verder wordt in 1 Korintiërs 1:21 vermeld dat het God heeft behaagd "door de dwaasheid van de prediking zalig te maken hen die geloven". Dit betekent dat geloof niet gebaseerd is op een persoonlijk gevoel of de zekerheid dat God zaligmakend in je werkt, maar uitsluitend op Gods Woord.

De fundamenten van geloof: Gods Woord als leidraad
Het fundament van geloof wordt gelegd in Hebreeën 11:1: "Het geloof nu is een vaste grond van de dingen die men hoopt, en een bewijs van de zaken die men niet ziet." Dit vers is een krachtige herinnering dat geloof zich richt op het onzichtbare en het toekomstige, en niet op tastbare bewijzen.
Daarom is het van het grootste belang om al hetgeen dat afwijkt van Gods Woord, ongeacht de bron - of het nu predikanten, boeken of andere mensen betreft - terzijde te leggen. De Bijbel is de ultieme autoriteit. Als men de diepte van eigen zonden zou ervaren zoals die werkelijk zijn, zou men zich verloren voelen. Echter, deze totale ervaring is niet wat van ons gevraagd wordt.
De Heer Jezus heeft de last van onze zonden gedragen en de diepten ervan ervaren. Hij laat ons onze zonden zien, maar slechts tot op de mate die Hij noodzakelijk acht. Wanneer zonden worden beleden, zoals beschreven in 1 Johannes 1:9, vergeeft Hij ze onmiddellijk.

Onvolmaaktheid en Gods genade
Het is een realiteit dat ons bidden, ons berouw en ons geloof tekortschieten. Deze onvolmaaktheid geldt niet alleen voor ons, maar voor alle gelovigen. Daarom is de oproep om alles bij Hem te brengen. Hij is immers gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren is. God kan niets met mensen die denken alles zelf te kunnen. Zijn genade is echter beschikbaar voor hen die bidden: "O God, wees mij de zondaar genadig."
Wanneer men bemoediging ontvangt uit het Woord of uit preken, is het God Zelf die tot ons spreekt. Dit geldt tenzij de preken onbijbels zijn, maar daar gaan we in dit verband niet van uit.
De rol van prediking en geloof
De effectiviteit van prediking is direct verbonden met het geloof van de luisteraar. Zoals gevraagd wordt in Romeinen 10:14: "Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden?" Dit leidt tot de verzuchting van Jesaja: "Heere, wie heeft onze prediking geloofd?"
De persoonlijke ervaring leert dat groei in zaken als berouw, geloof, bidden en getuigenis vaak met vallen en opstaan gepaard gaat. Dit is een weg die ook anderen wordt toegewenst.