Het verhaal van Bileam en Balak, opgetekend in de Bijbelboeken Numeri 22 tot en met 24, vertelt over een merkwaardige heidense profeet en een angstige koning. Balak, de koning van Moab, was doodsbang voor de Israëlieten die hun land naderden. Hij vreesde dat hun grote aantal mensen en vee zijn weidegronden zouden vernielen. In zijn angst bedacht hij een plan: hij zou een bekende occulte profeet, Bileam, inschakelen om Israël te vervloeken. De bedoeling was om met magische bezweringen Israël los te maken van zijn God, waardoor het volk zwak en machteloos zou worden.
God greep echter in. Hij sprak tot Bileam en verbood hem naar Balak te gaan en Israël te vervloeken, omdat het volk gezegend was. Deze woorden, "U mag dat volk niet vervloeken, want het is gezegend!", staan als een krachtig statement boven de hele geschiedenis van Israël. Deze belofte van zegen werd al aan Abraham gedaan en God is trouw aan zijn verbond.
Ondanks Gods verbod ging Bileam toch op weg toen Balak opnieuw een delegatie stuurde met een grotere beloning. Onderweg versperde een engel van God Bileams pad. Bileam zag de engel zelf niet, maar zijn ezelin wel. De ezelin weigerde verder te lopen, wat Bileam ertoe aanzette haar te slaan. God opende vervolgens de ogen van Bileam, zodat hij de engel zag.
God gaf Bileam de instructie dat hij alleen de woorden mocht spreken die God hem ingaf. Zo gebeurde het dat Bileam, in plaats van Israël te vervloeken, een zegen over het volk uitsprak. Dit gebeurde tot driemaal toe, tot grote frustratie van koning Balak, die niet begreep wat er aan de hand was. Balak probeerde Bileam en daarmee God te dwingen Israël te vervloeken, maar God had andere plannen. Hij zou niet terugkomen op zijn besluit om Israël te zegenen. Het verhaal benadrukt Gods betrouwbaarheid: God houdt Zich aan Zijn woord.
De Spreuken van Bileam
Tijdens zijn ontmoetingen met Balak sprak Bileam drie spreuken uit. Deze spreuken waren oorspronkelijk bedoeld als vloeken, maar werden door Gods ingrijpen tot zegeningen.
Eerste Spreuk (Numeri 23:7-10)
Bileam hief zijn eerste spreuk op en zei: "Uit Syrië heeft mij Balak, de koning der Moabieten, laten halen... Kom, vervloek mij Jakob, en kom, scheld Israël! Wat zal ik vervloeken, dien God niet vervloekt; en wat zal ik schelden, waar de HEERE niet scheldt? Want van de hoogte der steenrotsen zie ik hem, en van de heuvelen aanschouw ik hem; ziet, dat volk zal alleen wonen, en het zal onder de heidenen niet gerekend worden. Wie zal het stof van Jakob tellen, en het getal, ja, het vierde deel van Israel? Mijn ziel sterve den dood der oprechten, en mijn uiterste zij gelijk het zijne!"
In deze spreuk erkent Bileam dat hij Jakob en Israël niet kan vervloeken, omdat God hen zegent. Hij profeteert ook over Israëls unieke positie en hun toekomstige groei.
Tweede Spreuk (Numeri 23:18-24)
Daarna hief Bileam zijn spreuk op en zei: "Sta op, Balak, en hoor! Neig uw oren tot mij, gij, zoon van Zippor! God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet bestendig maken? Zie, ik heb ontvangen te zegenen; dewijl Hij zegent, zo zal ik het niet keren. Hij schouwt niet aan de ongerechtigheid in Jakob; ook ziet Hij niet aan de boosheid in Israel. De HEERE, zijn God, is met hem, en het geklank des Konings is bij hem. God heeft hen uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn. Want er is geen toverij tegen Jakob noch waarzeggerij tegen Israel. Te dezer tijd zal van Jakob gezegd worden, en van Israel, wat God gewrocht heeft."
Hier benadrukt Bileam Gods onveranderlijke aard en trouw. Hij stelt dat God Zijn zegeningen niet zal terugnemen en dat Hij niet naar de ongerechtigheid van Israël kijkt. Hij spreekt over Gods kracht en de afwezigheid van magie en waarzeggerij die Israël kunnen deren.
Derde Spreuk (Numeri 24:3-9)
Bileam hief zijn spreuk op en zei: "Bileam, de zoon van Beor, spreekt, en de man, wien de ogen geopend zijn, spreekt! De hoorder der redenen Gods spreekt, die het gezicht des Almachtigen ziet; die verrukt wordt, en wien de ogen ontdekt worden! Hoe goed zijn uw tenten, Jakob! uw woningen, Israel! Gelijk de beken breiden zij zich uit, als de hoven aan de rivieren; de HEERE heeft ze geplant, als de sandelbomen, als de cederbomen aan het water. Er zal water uit zijn emmeren vloeien, en zijn zaad zal in vele wateren zijn; en zijn koning zal boven Agag verheven worden, en zijn koninkrijk zal verhoogd worden. God heeft hem uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn; hij zal de heidenen, zijn vijanden, verteren, en hun gebeente breken, en met zijn pijlen doorschieten. Hij heeft zich gekromd, hij heeft zich nedergelegd, gelijk een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan? Zo wie u zegent, die zij gezegend, en vervloekt zij, wie u vervloekt!"
In de derde spreuk beschrijft Bileam de schoonheid en welvaart van Israël. Hij profeteert over Israëls toekomstige koninkrijk en hun overwinning op vijanden, en eindigt met de krachtige uitspraak: "Zo wie u zegent, die zij gezegend, en vervloekt zij, wie u vervloekt!"
De Vierde Profetie (Numeri 24:14-24)
Hoewel Balak teleurgesteld was dat Bileam Israël niet vervloekte, ging hij toch door met zijn plannen. In Numeri 24 spreekt Bileam nog een profetie uit, die verder gaat dan alleen de zegen van Israël.
Bileam profeteert over de komst van een "ster uit Jakob" en een "scepter uit Israel". Deze profetie wordt vaak geïnterpreteerd als een verwijzing naar de Messias. Hij spreekt over de ondergang van Moab en de verovering van Edom. Ook waarschuwt hij voor de Amalekieten en de Kenieten, en voorspelt de ondergang van de Kittieten door Assur. Deze profetieën geven een breder beeld van Gods plannen met Israël en de omliggende volken.

Gods Betrouwbaarheid en Onze Vertrouwens
Het verhaal van Balak en Bileam leert ons dat God betrouwbaar is. Hij houdt Zich aan Zijn woord en Zijn beloften zijn onwrikbaar. Dit betekent dat we God mogen vertrouwen, ook als we ons afvragen hoe betrouwbaar Hij echt is. Zijn trouw aan Israël, ondanks hun tekortkomingen, is een krachtig bewijs van Zijn karakter.
De tekst nodigt ons uit om na te denken over Gods beloften in de Bijbel en of we die volledig geloven. Het benadrukt dat Gods zegen niet afhangt van onze trouw, maar van Zijn eigen wil en genade. We mogen ons verheugen in de wetenschap dat wie God zegent, niemand kan vervloeken. Dit principe geldt ook voor ons als gelovigen; wie in Christus is, is gezegend.