Na de val van de mens van zijn oorspronkelijke positie en de overdracht van de heerschappij aan de duivel, profeteerde God over de slang, de duivel, en wat er met hem en zijn heerschappij zou gebeuren. De duivel, in zijn hoogmoed, meende dat zijn ambitie om God gelijk te zijn was geslaagd. Hij had immers een deel van Gods engelen naar zich toegetrokken en was de heerser van de wereld en de vader van de gevallen mensheid geworden. Echter, zijn heerschappij, verkregen door middel van leugens, zou niet eeuwig duren. Door de ongehoorzaamheid van de mens aan God en de gehoorzaamheid aan de duivel, werd de mens van zijn positie als heerser op aarde ontdaan en droeg deze heerschappij over aan de duivel en zijn engelen.
Elk zaad dat geboren werd en in gehoorzaamheid aan God wandelde, vormde een bedreiging voor de duivel en werd daarom gehaat door hem en de zonen van de duivel. De duivel deed er alles aan om te voorkomen dat het Zaad, waarover God had geprofeteerd, hem de kop zou vermorzelen. Aangezien het menselijk zaad was aangetast door het kwaad, en zonde en dood regeerden in de mens, was geen enkele mens in staat om de heerschappij van de duivel op rechtmatige wijze te ontnemen.
In deze context kwamen de woorden van God tot leven met de komst van Jezus, de Zoon van God. Hij kwam als het Levende Woord, in de gedaante van een mens, naar de aarde met het doel om de kop van de duivel te vermorzelen, dat wil zeggen, om de macht van de duivel te ontnemen en te herstellen wat gebroken was. Jezus getuigde van God, wandelde in gehoorzaamheid aan Hem en in de kracht van de Heilige Geest. De duivel deed er alles aan om ook dit Zaad met het kwaad aan te tasten en probeerde Jezus te verleiden met zijn leugens. Uiteindelijk, voor dertig zilverlingen, verraadde Judas zijn Meester Jezus en leverde hem over aan de priesters.
Ondanks deze gebeurtenissen, nam Jezus onze ziekten en smarten op Zich. God had dit immers meerdere malen zelf voorzegd door de mond van Zijn profeten. De dood bleek echter niet sterk genoeg om Jezus in het dodenrijk te houden.
Genesis 3: De Zondeval en de Oorsprong van het Kwaad
Het verhaal van Genesis 3 staat in de christelijke traditie bekend als de zondeval. Opvallend is dat het woord 'zonde' in dit hoofdstuk zelf niet voorkomt; het verschijnt pas in Genesis 4:7. De verleiding waar de mens aan bezwijkt, ondanks Gods verbod, is de wens om eigen baas te zijn en onafhankelijk te worden, om zelf te bepalen over goed en kwaad. Dit verhaal schetst een blauwdruk voor het leven, waarin keuzes, vrijheid en verantwoordelijkheid nauw met elkaar verweven zijn.
De eerste mensen verlangden ernaar als God te zijn en overtraden Gods verbod. Ze werden geconfronteerd met schaamte, schuld, angst en oordeel. De beheersingsdrang is sterk aanwezig in onze maatschappij. Hoe meer geld en macht iemand verwerft, hoe sterker de neiging om zich als God te wanen. Deze tendens is niet nieuw en zit, in meer of mindere mate, in ieder van ons. Genesis 3 toont aan dat we onmogelijk als God kunnen zijn; als mensen kunnen we nooit de grootsheid van God evenaren. Wanneer we de hoogmoed hebben om zoals Hij te worden, komen we uiteindelijk bedrogen uit.
De Rol van de Slang en de Verleiding
In Genesis 3 worden man en vrouw door de slang aangezet om van de vruchten van de boom te eten die God verboden heeft. Ze slaan het verbod van God in de wind en zijn ongehoorzaam. Hoewel ze omwille van hun daden door God gestraft worden, ontfermt God zich toch over hen. De zonde en de daaropvolgende straf zijn niet het laatste woord. De mens is beïnvloedbaar.
In Genesis 3 worden man en vrouw beïnvloed door de slang, met ingrijpende gevolgen. Het verhaal waarschuwt ons dat onze beïnvloedbaarheid ons kwetsbaar maakt. We moeten daar niet naïef over zijn. Tegenwoordig worden we meer dan ooit blootgesteld aan externe zaken die ons beïnvloeden, zoals social media en AI. Hoewel deze technologische innovaties een positieve bijdrage kunnen leveren, zijn ze niet zonder gevaar.
De Structuur van Genesis 3
Genesis 3 maakt deel uit van het eerste gedeelte van Genesis, Genesis 1-11, dat ook wel de 'oergeschiedenis' wordt genoemd. Deze hoofdstukken gaan, naast het ontstaan van de wereld en de mens, over de voorgeschiedenis van Israël. Genesis 3 vertelt het vervolg van het verhaal in Genesis 2:4-24, over Gods schepping van man en vrouw en hun verblijf in de tuin van Eden. In dit hoofdstuk overtreden Adam en Eva Gods verbod en worden ze door God uit de tuin weggestuurd.
- 3:1-5 De slang spreekt met de vrouw over het eten van de boom van de kennis van goed en kwaad.
- 3:6-7 De vrouw en de man eten van de boom en ontdekken dat ze naakt zijn.
- 3:8-13 God spreekt met de man en de vrouw over wat ze hebben gedaan.
- 3:14-19 God spreekt een oordeel uit over de slang, de vrouw en de man.
- 3:20-21 De man noemt zijn vrouw Eva.
De interactie verloopt via de volgende volgorde van sprekers:
| Spreker 1 | Spreker 2 | Spreker 3 | Spreker 4 |
|---|---|---|---|
| Slang (vs. 1) | Vrouw (vs. 2-3) | Man (vs. 6) | God (vs. 8) |
| God (vs. 9) | Man (vs. 10) | Vrouw (vs. 13) | Slang (vs. 13) |
| Slang (vs. 14) | Vrouw (vs. 16) | Man (vs. 17) | God (vs. 1) |
De Symboliek van de Slang
De slang wordt in Genesis 3:1 beschreven als 'sluw' (ʿārûm). Vanwege het verwisselen van de huid werd de slang in de oudheid een symbool voor het leven dat zich herstelt en vernieuwt. Het vernieuwen van de huid werd geassocieerd met kennis van het geheim van het leven. Tegelijkertijd was men zich bewust van het gevaar van de slang, wiens gif tot de dood kon leiden.
Daarnaast komt in verschillende Bijbelgedeelten de gedachte naar voren van de slang - ook wel Leviatan genoemd - als tegenstander van God, die samen met de machten van de chaos tegen God strijdt (bijv. Jes. 27:1). In het Nieuwe Testament zal de slang worden vereenzelvigd met de duivel, Satan (Op. 12:9; 20:2; vgl. 2 Kor. 11:3, 14; Luc. 10:18-19; Joh. 8:44), omdat hij de mens tot zonde verleidde en van God vervreemdde.
Er is een woordspel in het Hebreeuws tussen het woord voor ‘sluw’ (ʿārûm) in 3:1 en het woord voor ‘naakt’ (ʿărûmmîm) in 2:25 en 3:7. De sluwheid van de slang staat aan de basis van de bewustwording dat de mens en zijn vrouw naakt zijn. Dit vers staat in contrast met 2:25. De onbevangenheid van de mensen aan het begin slaat om in de gedachte dat ze zich moeten bedekken en zich voor elkaar moeten verbergen. Ze zullen dezelfde behoefte voelen ten opzichte van God.
Het Gesprek tussen de Slang en de Vrouw
De slang formuleert zijn vraag op een schijnbaar onpartijdige en objectieve manier: 'Heeft God werkelijk gezegd dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen eten?'. Zijn boodschap is echter slinks. Hij draait de omschrijving in Genesis 2:16-17 om: de mensen mochten juist van álle bomen eten behalve van één. In het Hebreeuws komt de vraag nog listiger over, omdat hij op twee manieren uitgelegd kan worden: 'Mogen jullie van geen enkele boom in de tuin eten?' of 'Mogen jullie niet van élke boom in de tuin eten?'. Dat laatste is correct, maar wekt een totaal andere indruk dan Gods gulle toezegging.
De vrouw antwoordt: 'We mogen de vruchten van alle bomen eten, behalve die van de boom in het midden van de tuin. God heeft ons verboden van de vruchten van die boom te eten of ze zelfs maar aan te raken; doen we dat toch, dan zullen we sterven.' De vrouw corrigeert de slang, maar voegt toe dat ze de boom en zijn vruchten zelfs niet mogen aanraken, wat God niet had gezegd. Maakt de vrouw God hier strenger dan Hij is? Of had de man Gods verbod juist strenger aan haar voorgesteld?
Volgens 2:9 was het de boom van het leven die in het midden van de tuin stond, terwijl de vrouw naar de boom van de kennis van goed en kwaad doelt.
De slang ontkent wat God in 2:17 heeft gezegd: 'Jullie zullen helemaal niet sterven.' Hij beschuldigt God van een leugen. De gedachte van God in Genesis 3:22 ('Nu is de mens aan Ons gelijk geworden') lijkt te suggereren dat de slang gelijk heeft.
De slang beweert Gods gedachten te kennen: 'God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, en dat jullie dan als God zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad.' Een dergelijk inzicht in de gedachten van anderen is alleen aan God voorbehouden. In plaats van 'als God' kan het Hebreeuws (kēʾlōhîm) hier ook vertaald worden met 'als goden'. Echter, in Genesis 3 ligt de keuze voor 'als God' het meest voor de hand, aangezien het woord ʾĕlōhîm in dit hoofdstuk consequent in de betekenis 'God' wordt gebruikt.
De slang insinueert dat God over bepaalde kennis beschikt die Hij de mensen willens en wetens onthoudt, waardoor de mens iets misloopt wat belangrijk en goed voor hem zou kunnen zijn. Op deze manier wordt God door de slang afgeschilderd als jaloers en onderdrukkend.
De Daad van de Mensen en de Gevolgen
De vrouw keek naar de boom. Zijn vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren een lust voor het oog, en ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken. Ze plukte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij at ervan.
De tekst noemt drie zaken waardoor de vrouw zich laat verleiden:
- de boom heeft heerlijke vruchten ('de boom is goed om te eten');
- de boom is mooi om te zien;
- de gedachte dat de boom wijsheid zal schenken trekt haar.
De Hebreeuwse term (taʾăwâ) betekent 'begeerte', en staat voor de intense wens om iets in bezit te krijgen. Kennelijk interpreteert de vrouw de woorden van de slang in vers 5, dat door het eten van deze boom 'jullie de ogen zullen opengaan... en dat jullie dan als God zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad'.
Toen gingen hun beiden de ogen open en merkten ze dat ze naakt waren. Daarom regen ze vijgenbladeren aan elkaar en maakten er lendenschorten van. In het Hebreeuws is er een woordspel tussen het woord voor ‘naakt’ (ʿărûmmîm) en het woord voor ‘sluw’ (ʿārûm). Dit vers staat in contrast met 2:25. De onbevangenheid van de mensen aan het begin slaat om in de gedachte dat ze zich moeten bedekken en zich voor elkaar moeten verbergen.
Toen de mens en zijn vrouw de HEER God in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor Hem tussen de bomen. De mensen zijn bang voor God en voelen zich schuldig omdat ze weten dat ze zijn verbod hebben overtreden. Niet alleen de relatie tussen de mensen onderling is verstoord.
God vraagt: 'Waar ben je?' Hieruit hoeft niet te worden afgeleid dat God niet weet waar de mensen zijn. Het is een open vraag, waarmee God de ondervraging begint.
Hij antwoordde: 'Ik hoorde U in de tuin en werd bang omdat ik naakt ben; daarom verborg ik me.' De man geeft als reden voor zijn angst dat hij naakt is, wat eerder een excuus lijkt te zijn, aangezien de mensen zichzelf al met vijgenbladeren hadden bedekt. De werkelijke reden voor zijn angst is het overtreden van Gods verbod.
God prikt door het onlogische betoog van de man heen: 'Wie heeft je verteld dat je naakt bent? Heb je soms gegeten van de boom waarvan Ik je verboden had te eten?'
De mens antwoordde: 'De vrouw die U mij hebt gegeven om mij terzijde te staan, gaf mij vruchten van de boom en toen heb ik ervan gegeten.' De man geeft de vrouw de schuld van zijn misstap. Indirect geeft hij ook de schuld aan God, die hem de vrouw immers gegeven heeft (vgl. 2:22).
God vroeg aan de vrouw: 'Waarom heb je dat gedaan?' Het Hebreeuws luidt letterlijk: 'Wat is dit dat je hebt gedaan?', wat in het Hebreeuws een verwijt impliceert. Zij antwoordde: 'De slang heeft me misleid en toen heb ik ervan gegeten.' De vrouw doet hetzelfde als de man: beiden beantwoorden Gods vraag naar het 'waarom' door de schuld af te schuiven. Terwijl de man dat doet op de vrouw en op God, schuift de vrouw de schuld af op de slang.
Gods Oordeel en de Belofte van Verlossing
Als reactie op het aanwijzen van de vrouw als schuldige, ondervraagt God de vrouw. Vervolgens spreekt God een oordeel uit over achtereenvolgens de slang, de vrouw en de man, in dezelfde volgorde als waarin zij in vers 1-6 gehandeld hebben. Bij alle drie noemt God steeds twee aspecten: de straf heeft negatieve gevolgen voor enerzijds een belangrijke functie in het leven van de aangesprokene zelf, en anderzijds op een relatie die voor hem/haar belangrijk is. Ook komen bij alle drie de gevolgen voor de hele gemeenschap in beeld. De passage laat zien dat overtredingen niet alleen negatieve gevolgen hebben voor de overtreder zelf, maar ook voor zijn of haar omgeving. Gods uitspraken worden vaak aangeduid als straffen, maar zijn wellicht eerder te zien als consequenties van hun handelen.
Het Oordeel over de Slang
De HEER God zei tegen de slang: 'Vervloekt ben jij dat je dit hebt gedaan, het vee zal je voortaan mijden, wilde dieren wenden zich af; op je buik zul je kruipen en stof zul je eten, je hele leven lang.'
God veroordeelt weliswaar de man, de vrouw en de slang, maar alleen de slang wordt vervloekt (evenals de akker; vs. 17). Vervloeking houdt in dat iemand geconfronteerd wordt met verval, onheil en het domein van de dood in zijn leven. De vloek verklaart het pootloze schuifelen van de slang. Het eten van stof kan een verband hebben met de overtreding van de slang: hij heeft de mens ertoe verleid om te eten van de verboden boom, daarom moet hij nu zelf stof eten. Daarnaast is 'stof eten' een teken van vernedering en onderwerping.
'Vijandschap sticht Ik tussen jou en de vrouw, tussen jouw nageslacht en het hare; dat verbrijzelt jou de kop, jij bijt het in de hiel.'
Deze tekst gaat enerzijds over het reële gevaar dat slangen voor de mens vormen en de afkeer van de mens voor slangen. Anderzijds bevat de tekst ook een diepere, symbolische laag, als de eeuwige strijd van de mens met de machten van het kwaad, de verleiding en het bedrog. In de christelijke traditie is de tekst opgevat als een verwijzing naar de strijd tussen Christus en de duivel (vgl. Op. 12:17). In het Hebreeuws wordt in beide zinnen hetzelfde werkwoord gebruikt, dat te vertalen is met ‘vermorzelen’, ‘verbrijzelen’ of ‘bijten’. De slang zal zijn tegenstander in de hiel treffen, dat wil zeggen: hij valt hem van achteren aan, op een achterbakse, listige manier. Het nageslacht van de vrouw zal van de slang echter de kop vermorzelen. Omdat het verbrijzelen van de kop een dodelijke afloop heeft (wat bij het treffen van de hiel niet het geval hoeft te zijn), wordt dit vaak opgevat in de zin dat de slang door de mens verslagen wordt.
Volgens het Nieuwe Testament vindt deze overwinning plaats door de persoon en het werk van Christus, 'geboren uit een vrouw' (Gal. 4:4), die Satan heeft overwonnen (Rom. 5:8, 10, 21; 16:20; Hebr. 2:14-16; 1 Joh. 3:8; Op. 12).

Het 'Eerste Evangelie': Genesis 3:15
Direct aan het begin van de geschiedenis van de mensheid maakt de Bijbel bekend wat zijn hoofdboodschap is: nadat God alle dingen ‘goed’ had gemaakt, ging alles de verkeerde kant op als gevolg van het kwaad dat door de menselijke zonde de wereld is binnengekomen. Om alles weer te herstellen, ontwierp God een plan om de mensheid en de gebroken wereld te redden van het bederf door de zonde.
'En Ik zal vijandschap teweegbrengen tussen u en de vrouw, en tussen uw nageslacht en haar Nageslacht; Dat zal u de kop vermorzelen, en u zult Het de hiel vermorzelen' (Gen. 3:15).
Met deze symbolische woorden, soms het ‘eerste Evangelie’ genoemd, introduceert God de oplossing die Hij zal bieden voor de zondige toestand van de mensheid. Ze bepalen ook het thema voor de rest van de Schrift. Dit thema ‘genade’ vormt de context van alles wat volgt in de Bijbel. Alle geschiedenissen en boodschappen die vervolgens in de Schrift staan, zijn onderdelen van dit verhaal van goddelijke redding dat zich ontvouwt.
Elk geval van gevecht, hongersnood, ziekte, verraad, slavernij en kwaad is de poging van Satan om te voorkomen dat het Nageslacht van Eva hem zal vermorzelen. En elk geval van redding van de zwakken, zorg voor de behoeftigen, onderhoud van een overblijfsel, herstel van degenen die gebroken zijn, bescherming van de weerlozen, gratie voor verlorenen, vergeving voor de trouwelozen, behoud van een volk, verbond met hen die het niet verdienen, het geschenk van ‘sieraad in plaats van as’ [Jes. 61:3], is een manifestatie van Gods reddingsplan.
De hele Schrift richt ons op het vertrouwen in Christus als onze Verlosser. Jezus zelf heeft dit geleerd toen Hij “begon bij Mozes en al de profeten, en legde [zijn discipelen] uit wat in al de Schriften over Hem geschreven was” (Lukas 24:27). Eerder had Hij uitgelegd dat al de Schriften van Hem “getuigen” (Johannes 5:39). Alle Bijbelteksten verschaffen ons het kader om onze wereld te interpreteren en onze God te begrijpen vanuit een verlossend perspectief.
Het Nageslacht van de Vrouw
'En Ik zal vijandschap teweegbrengen tussen u en de vrouw, en tussen uw nageslacht en haar Nageslacht; Dat zal u de kop vermorzelen, en u zult Het de hiel vermorzelen' (Genesis 3:15).
Ieder mens is het nageslacht van zijn ouders, van zijn vader en zijn moeder. Maar de Persoon waarover God hier spreekt (inderdaad, met een hoofdletter!) is alleen het nageslacht van Eva; niet van Adam. Ontegenzeggelijk wordt hier al - duizenden jaren voortijdig - een voorzegging gedaan van de bijzondere (maagdelijke) geboorte van onze Here. Hij had wel een menselijke moeder (Maria), maar geen menselijke vader. Zijn Vader was God Zelf.
Eeuwen later sprak Jesaja de bekende woorden: ‘De Here Zelf zal u een teken geven: Zie, de maagd zal zwanger worden. Zij zal een Zoon baren en Hem de naam Immanuel geven’ (Jesaja 7:14). De Here gaf dit teken aan het gehele huis van David. In Matteüs 1:22,23 wordt deze profetie expliciet toegepast op de geboorte van Jezus Christus.
De evangelist Lucas vertelt ons dat de engel Gabriël door God naar Maria in Nazareth werd gezonden om haar de geboorte van de Here Jezus aan te kondigen. Maria stelt dan de natuurlijke vraag: ‘Hoe zal dat mogelijk zijn, aangezien ik geen gemeenschap heb met een man’ (Lucas 1:34). Het antwoord van de engel is heel bijzonder: ‘De Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen. Daarom ook zal het Heilige Dat uit u geboren zal worden, Gods Zoon genoemd worden.’ God zelf zorgde er op wonderlijke wijze voor dat Maria zwanger werd. Wij noemen Hem de Zoon van God, omdat Hij dat ook werkelijk is.
Toen de Hogepriester Hem vóór de Joodse Raad en onder ede vroeg of Hij de Christus was, de Zoon van God, ontkende de Here dit niet. En dat werd voor de Joden de grond waarop zij Hem aan de Romeinen overleverden om gekruisigd te worden (Matteüs 26:63-66). Zij konden en wilden niet accepteren dat God Zelf als Zoon naar deze wereld was gekomen. God sprak niet langer door profeten, maar door de Zoon (Hebreeën 1:1). Hem heeft God tot Erfgenaam gemaakt van alles.
Tegen de slang werd gezegd dat er vijandschap zou zijn tussen hem en het Nageslacht van de vrouw. En dat het Nageslacht van de vrouw hem de kop zou vermorzelen. Door de hele Bijbel heen gaat het om deze vijandschap tussen enerzijds de slang, de satan, de duivel en anderzijds God en Zijn Gezalfde Zoon. De Here Jezus Zelf drukte het zo uit. Hij zei: ‘Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan iemand die goed zaad zaaide in zijn akker. Maar toen de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide onkruid tussen de tarwe, en ging weg’ (Matteüs 13:24,25).
Zo heeft de satan, door Eva tot zonde te verleiden, de gehele, volmaakte schepping van God bedorven. De hele wereld is sindsdien onder de heerschappij van de duivel. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de verzoeking van de Here Jezus in de woestijn (Lucas 4:6). De Here Jezus noemt hem de vorst van deze wereld (Johannes 12:31; 14:30). En de hele wereldgeschiedenis toont de verschrikkelijke gevolgen van zijn heerschappij. Maar de kop van de slang zal worden vermorzeld; aan zijn heerschappij zal definitief een einde komen.
From Hosanna to Betrayal | The Passion Trilogy | Animated Bible Story
De Overwinning van Christus
Nu is hij nog ‘de aanvoerder van de macht in de lucht’ (Efeziërs 2:2), maar hij zal uit de hemel worden geworpen (Lucas 10:18 en Openbaring 12:7-9). En niet lang daarna zal hij ook op aarde worden verslagen door Christus, wanneer Hij komt in heerlijkheid en macht om Zijn koninkrijk te vestigen. Hij zal de draak, de oude slang, grijpen en binden en hem 1000 jaar bewaren in de afgrond. Na die 1000 jaren zal de satan nog éénmaal voor een korte tijd worden losgelaten. En opnieuw zal hij dan uitgaan om de volken te misleiden en hen verzamelen voor de oorlog tegen Gods Koning. Maar God Zelf zal hen met vuur verslaan. En de duivel zal worden gegrepen en in de poel van vuur geworpen worden, waar hij gepijnigd zal worden tot in alle eeuwigheid (Openbaring 20:7-10).
Gods Zoon kwam als Mens op deze aarde om de Redder (Zaligmaker) van deze wereld te worden (Johannes 4:42 en 1 Johannes 4:14). Op Golgotha vloeide Zijn bloed om de hele wereld te verzoenen met God (1 Johannes 2:2). Aan het kruis heeft Hij niet alleen de straf voor onze zonden gedragen, maar ook de hele wereld gekocht met Zijn bloed. Om de schat te verwerven moest Hij Zijn leven geven om de hele akker te kopen (Matteüs 13:44).
Daarom zegt God van Hem: ‘Uw troon o God, bestaat in alle eeuwigheid. De scepter van Uw koninkrijk is een scepter van het recht’ (Hebreeën 1:8). Juist omdat Hij Zichzelf tot de diepte van het kruis vernederd heeft, heeft God Hem de allerhoogste plaats gegeven. Eenmaal zal elke knie - van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn - zich buigen voor Hem. En elke tong zal belijden dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid van God de Vader (Filippenzen 2:5-11).
De betekenis van Genesis 3 ligt in het laten zien wat er precies met ons mensen mis is, en waarom er zoveel leed in deze wereld is. Het verhaal vertelt over iets heel kostbaars dat verloren is gegaan: 'Paradise lost'. Het is de levende omgang met God die verloren is gegaan.
Maar God laat het er niet bij zitten! De ongehoorzaamheid heeft niet het laatste woord. God geeft een belofte: de moederbelofte, de moeder van alle beloften. Het evangelie in een notendop. Er zal vijandschap zijn tussen de slang en de vrouw en tussen hun nakomelingen. Uit het nageslacht van de vrouw komt iemand die de slang zal vermorzelen. De kop van de slang zal vermorzeld worden door iemand uit het nageslacht van de vrouw. God belooft dat de vijand van God en mensen zal worden verslagen. Dit is de Here Jezus Christus.

tags: #preek #kop #vermorzelen